
Personal words
subject form - object form - possessive form
1. ik - mij/me - mijn
2. jij/je - jou/je - jouw
2. u - u - uw
3. hij - hem - zijn
3. zij - haar -haar
1. wij/we -ons - ons/onze
2. jullie -jullie - jullie
2. u -u - uw
3. zij/ze -hun/ze - hun
Dus:
- Ik gaf mijn boek aan haar.
- Zij hebben jullie naar zijn huis gebracht [brengen: to bring]
- Wij hebben ons weekend bij hun ouders [parents] doorgebracht [doorbrengen: to spend]
- Jij hebt je pinpas in het restaurant vergeten.
- Ze heeft jouw fiets voor het huis van haar zusje laten staan.
- Ik heb iets voor jou.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten