dinsdag 19 augustus 2008

ik, jou, mij, hun, zij, jullie ...


Personal words

subject form - object form - possessive form
1. ik - mij/me - mijn
2. jij/je - jou/je - jouw
2. u - u - uw
3. hij - hem - zijn
3. zij - haar -haar

1. wij/we -ons - ons/onze
2. jullie -jullie - jullie
2. u -u - uw
3. zij/ze -hun/ze - hun

Dus:

  1. Ik gaf mijn boek aan haar.
  2. Zij hebben jullie naar zijn huis gebracht [brengen: to bring]
  3. Wij hebben ons weekend bij hun ouders [parents] doorgebracht [doorbrengen: to spend]
  4. Jij hebt je pinpas in het restaurant vergeten.
  5. Ze heeft jouw fiets voor het huis van haar zusje laten staan.
  6. Ik heb iets voor jou.
Try to translate these sentences. Observe the prepositions: aan, naar, bij, in, van, voor!

Geen opmerkingen: